Leraren-in-opleiding stellen vragen aan leerlingen

Door Roos Schepers en Vera Hoogerwerf.

Vrijdag 5 februari was het weer tijd voor het leerlingenpanel, dat twee keer per jaar gehouden wordt. Drie leerlingen van het Canisius College en twee leerlingen van het NSG zaten in een goed gevuld lokaal tegenover een aantal leraren-in-opleidingen, die met hun brandende vragen meer over het leraarschap te weten wilden komen. Om kwart voor 2 gingen de deuren dicht en konden de leraren beginnen met het stellen van vragen.

De vraag waar het panel mee werd geopend, “wat is nu écht een goede leraar?”, was meteen een behoorlijk lastige. Iedereen heeft immers verschillende voorkeuren voor het gedrag van leraren en de methode van het lesgeven. Over één ding waren alle leerlingen het eens: een goede leraar is betrokken bij de klas. Dat het erg belangrijk is dat een leraar op persoonlijk niveau connecties legt met een leerling, vond iedereen. Té persoonlijk zijn is ook niet goed, leerlingen hoeven natuurlijk niet het hele levensverhaal van hun leraar te horen. Echter, als de leraar betrokken is bij de klas zijn de leerlingen sneller geïnteresseerd en vinden ze de leraar meestal ook aardiger.

‘Kan je op de eerste schooldag het beste streng of juist relaxed zijn?’ vroeg een andere leraar. Het duurde niet lang voordat de leerlingen een antwoord vonden waar ze het allemaal mee eens waren: een leraar kan het beste op de eerste dag streng zijn. De eerste schooldag is namelijk het perfecte moment voor leerlingen om de leraar te testen en te kijken waar de grenzen liggen. Tolereer je veel, dan weten leerlingen dat ze makkelijk dingen uit kunnen spoken en nemen ze je minder serieus. Ben je streng, dan weten leerlingen meteen dat ze niet veel bij je kunnen uitproberen en kan er beter lesgegeven worden.

Er werd ook gesproken over het gebruik van laptops en digitaal lesmateriaal in de klas. Vinden de meeste leerlingen dit fijn? Of is hierdoor het persoonlijke contact met de leerling en ook de aandacht weg? Dit is een onderwerp waar de meningen erg over verschillen. De een kan blind typen en vindt het daarom veel gemakkelijker om aantekeningen over te nemen, de ander geeft de voorkeur aan het traditionele schrijven met de hand in een schrift. Wel waren alle vijf de leerlingen het erover eens dat het superfijn is als een leraar zelf een powerpoint heeft gemaakt. Hieruit blijkt dat de leraar z’n best heeft gedaan om de les voor te bereiden en is het voor de leerlingen ook meteen duidelijk wat je moet overnemen.

Al met al was niet voor de leerlingen, maar voor de léraren een leerzaam halfuurtje! De docenten-in-spe zijn druk bezig geweest met het stellen van vragen, het maken van aantekeningen, en ook met wat gelach tussendoor; er werden immers ook gekke beelden over schoolervaringen geschetst. We hopen dat de toekomstige docenten nu wat verder zijn geholpen in hoe ze een klas moeten aanpakken en dat ze een stapje dichter bij het zijn van een superleraar zijn gekomen!