Pater Guus verlaat als een veldheer zijn school

Bron: De Gelderlander, 14-05-2005
Door JACQUELINE DE BEKKER

NIJMEGEN – Hij was steengoed in wiskunde, maar koos voor klassieke talen. Hij hangt aan kennis, maar vindt de zorg voor hart en lichaam net zo belangrijk. Guus Hendrichs, de laatste jezuïet, verlaat het Canisius College op grootse wijze.

Pater Guus Hendrichs (65) is geen man van veel woorden of lange zinnen. Wel formuleert hij zorgvuldig en wat hij zegt, snijdt hout. Toch was niet iedere leerling daar altijd even gevoelig voor. “Sommigen kreeg ik niet meer op de rails.”

Dat laatste betreurt pater Hendrichs, maar hij verwijt het zichzelf niet. “Ik heb er nooit een vinger op kunnen leggen waarom het ene kind wel en het andere niet van de drugs af kan blijven. Dat is blijkbaar zo’n complexe materie. En school speelt daarin slechts een beperkte rol.”

Neemt niet weg dat Hendrichs vanwege die jongere voor het onderwijs heeft gekozen. “Niets zo leuk als een dwarsliggende puber. Aan braaf zijn heb je zo weinig.”

Bijna veertig jaar stond hij voor de klas op het Canisius College aan de Berg en Dalseweg. Eind juni neemt de docent klassieke talen afscheid. Iets waarop de eindexamenkandidaten van het Canisius niet wilden wachten.

Gisterochtend, op de laatste lesdag van de eindexamenkandidaten, deden alle 1300 Canisius-leerlingen Hendrichs op grootse wijze uitgeleide door hem als Keizer Augustus de Berg en Dalseweg op te rijden. In een Romeinse strijdwagen overbrugde Hendrichs de afstand tussen het oude en nieuwe Canisius College.

“Of ik geliefd ben? Ach, dat weet ik niet”, luidt zijn bescheiden reactie. “Ben ik ook niet zo mee bezig. Ik denk dat mijn consequente, weliswaar veeleisende, maar rechtvaardige houding veel kinderen heeft aangesproken. Dat wel.”

In 1957, op zeventienjarige leeftijd, trad Hendrichs toe tot de orde van de jezuïeten. Hij verhuisde van Den Haag naar Grave, studeerde Wijsbegeerte in Leuven en kwam in 1962 voorgoed naar Nijmegen om klassieke talen te studeren.

“Want ik wilde het onderwijs in, maar ook geestelijke worden. Door tot de orde toe te treden, kon ik beide combineren. ”

In Nijmegen kwam Guus Hendrichs terecht in het internaat van het Canisius College aan de Berg en Dalseweg. “Ik surveilleerde, onder andere op de slaapzaal, en gaf allerlei sportlessen. Want sport is mijn grote hobby, nog steeds. Elke zaterdag kun je me op het Union-veld vinden. Daar keur ik de velden en zo.”

Het Canisius College is al lang geen internaat meer en Guus Hendrichs woont inmiddels in een ‘gewoon’ huis dat hij deelt met andere jezuïeten. Een ding bleef: een hart dat overanderd klopt voor zijn leerlingen. “Niets mooier dan die ontwikkeling te volgen en een handje te helpen. In die jaren hier gebeurt zoveel.”

Daarom is lesgeven volgens hem belangrijker dan managen. Het directe contact met de leerlingen vindt hij vele malen leuker dan vanaf de zijlijn sturen. Een van Hendrichs grootste ergernissen: de managementtheorieën die vanuit het bedrijfsleven het onderwijs binnensijpelen. “Een school is geen bedrijf”, zegt hij ongekend fel, “en moet dat ook niet worden.”

Nee, een school is een veilige verblijfplaats waar pubers zich leren ontplooien en ontwikkelen. “En wij helpen ze daarbij. Niet alleen met kennisoverdracht, maar ook met sporten en het aanleren van vaardigheden en fatsoen. Zo huldig ik altijd mijn filosofie van de publieke ruimte: niet met je voeten op de tafel of op andermans stoel. Dat doe je gewoon niet; je hebt rekening te houden met anderen.”

Terugkijkend vindt Hendrichs dat er veel ten goede is veranderd in het onderwijs. De verhouding leraar/leerling is er een van gelijkwaardigheid en boezemt geen angst meer in. Het onderwijs is meer op het individu afgestemd en levert niet langer eenheidspakketten aan.

Zijn religieuze inslag en overtuiging heeft hij al die tijd kunnen koesteren en uitdragen. Niet door jongeren naar de kerk te verwijzen, maar door gerechtigheid te prediken. “Gerechtigheid is een bijbels begrip dat ik altijd heb vertaald met ‘mensen tot hun recht te laten komen’.”

“Waar kun je dat beter doen dan in het onderwijs? En dus ook interesse wekken voor zaken die buiten de school gebeuren en je daar voor inzetten. Je bent als christelijke school geen knip voor je neus waard als je niet iets voor anderen doet.”